Voor het eerst lesgeven
plankenkoorts in de collegezaal
Nadat ik mijn eerste jaar als PhD vooral had doorgebracht met literatuur lezen, interviews organiseren en uitwerken, en een conceptversie van mijn eerste paper schrijven, was het afgelopen september tijd om toe te geven aan de andere zijde van de universiteit: onderwijs. Ja, net als veel andere PhDs heb ik een onderwijsverplichting. Dat betekende dat ik bij verschillende vakken verschillende taken op me nam: soms moest ik af en toe andere docenten ondersteunen tijdens colleges of opdrachten nakijken, soms moest ik zelfstandig seminars geven. En bij het nieuws dat ik seminars aan groepen studenten moest geven, oftewel wekelijks meerdere keren in mijn eentje voor de klas moest staan, sloeg de schrik me om het hart. Daar ben ik helemaal niet ervaren genoeg voor, vond ik, of oud genoeg. Ik word regelmatig aangezien voor een student en elke keer dat ik bij de supermarkt een fles wijn haal, word ik om mijn ID-kaart gevraagd. Die studenten maken gehakt van me, dacht ik. Maar ondertussen is het blok afgerond, alle tentamens zijn gemaakt en becijferd, en iedereen leeft nog. Dus hier ben ik om verslag te doen.
Even voor de context: PhD’s geven vaak niet direct les binnen hun eigen expertise, en ook niet per se het soort vakken dat ze zelf gevolgd hebben als student. Zelf heb ik religiewetenschappen gestudeerd, maar één van de eerste vakken die ik moest geven ging over audiovisuele media. Daar ben ik niet onbekend mee, maar ik moest me wel voorbereiden en inlezen. Nog een feitje: veel PhD’s worden redelijk onvoorbereid voor een klas gekwakt, op pedagogisch vlak. Je kan een BKO halen en je kan een cursus volgen over lesgeven (dat laatste heb ik gedaan), maar dat is vaak niet verplicht en daar moet je ook maar de tijd voor hebben. Dus het is een redelijke sprong in het diepe.
Zo, dat is de feitelijke informatie. Zal ik dan maar gewoon beschrijven wat een gênante vertoning het was, de eerste keer lesgeven? Ik stond namelijk doodsangsten uit. Ik weet niet precies waarom. Spreken in het openbaar doe ik regelmatig en ik treed soms op als muzikant. Gezonde spanning is er altijd natuurlijk, maar ik heb zeker geen plankenkoorts. Maar nu had ik dat absoluut wel. Het idee van voor een klas moeten gaan staan, al die ogen op mij, terwijl ik nog zo onervaren ben, maakte me misselijk van de zenuwen. De allereerste keer zal me wel voor altijd bijblijven. Bij deze een dramatische hervertelling van de scène:
Ik kom een kwartier te vroeg naar de collegezaal in de overtuiging dat dat vroeg genoeg is. Maar ik heb het mis: er staat een hele horde studenten mij op te wachten en met kwade bedoelingen in hun handjes te wrijven. Wat doen die hier in godsnaam al? Misschien zijn het niet mijn studenten. Wie weet zijn al mijn studenten door een ingreep van het lot allemaal vandaag spontaan verdwenen naar een alternatief universum. Ik baan me een weg door de groep heen, die voor een gesloten deur staat te debatteren of dit de juiste collegezaal is, en ik verhef mijn stem om te vragen voor welk vak ze hier staan. Ja hoor, het zijn die van mij. Is dit het juiste lokaal, vraagt een student, weet jij dat misschien? Ze waren ook voor het eerst in dit gebouw. Ik ben de kleinste van de groep, want Nederlandse genen hebben mij overgeslagen of iets dergelijks, dus ik moet naar ze opkijken om te melden dat dit het juiste lokaal is en ik de docent ben. Ongelovige blikken natuurlijk, of zo stel ik het me voor. Het is precies, PRECIES waar ik bang voor was geweest. Het is een tragikomedie. Ik been maar gewoon naar de deur en het lokaal in, en begin mijn laptop aan te sluiten om te bewijzen dat ik echt heus waar de docent ben. Mijn eendjes komen langzaam binnen waggelen en accepteren hun lot. Mijn handen trillen natuurlijk terwijl ik die stomme HDMI-kabel aansluit en van alles opstart, en de hartkloppingen beginnen zich nu ernstig kenbaar te maken.
Laat alsjeblieft een vrachtwagen precies nu door de gevel van het gebouw rijden en mij redden van deze afgang.
“Hallo allemaal! Wil jij daar achterin misschien de deur even dicht doen?” En de deur gaat gehoorzaam dicht.
Oh godzijdank. Ze luistert naar me.
“Zit iedereen? Dan gaan we beginnen!” En ze worden stil, en ze luisteren.
Ze tellen op dit moment de zweetdruppels op je DOMME RODE HOOFD. Ze maken straks een meme van je. Dit is daadwerkelijk het einde der tijden.
Mijn ziel verlaat mijn lichaam en ik begin aan een voorstelrondje. Ik onthoud echt niemands naam, het is al moeilijk genoeg op dit moment om mijn eigen naam te onthouden. Ik introduceer het vak en leg wat basisconcepten uit, en dan ben ik een halfuur te vroeg klaar. Even slaat de paniek toe. Dit is niet de bedoeling. Dit is niet de planning. Wat doe ik nu? Een halfuur kletsen over het weer? Dan komt een rationele gedachte tot mij: wacht eens even, ik ben de baas en ik ben klaar. Dus ik stuur ze lekker naar huis - wat ben ik toch een welwillende docent - en daarna val ik naar lucht happend op een stoel.
Ik had niet bepaald het gevoel dat het een daverend succes was geweest. Maar wacht eens even; ik had het wel gedaan. Niemand had me belachelijk gemaakt. Niemand had gezegd: hé, jij clown, wie ben jij en wat heb je gedaan met onze echte docent? Ik had de dingen gezegd die ik moest zeggen. En ja, er was absoluut ruimte voor verbetering, maar dit was een eerste stap.
Misschien klinkt dat allemaal wat overdreven (dat is het namelijk ook, dat is mijn poëtische vrijheid) en blaak jij van het zelfvertrouwen. Maar, nou ja, ik ben geen geboren leraar, en met mij velen. Ik moest accepteren dat het niet perfect zou gaan, niet de eerste keer, niet de tweede keer, niet de derde keer. Ja, ik ben een onderzoeker en ik ben een perfectionist, ik geef het toe, ik ben het stereotype. Het idee dat ik zichtbaar fouten zou maken voor een groep vond ik moeilijk te accepteren. Ben ik daarvan nu genezen? Nee, absoluut niet. Maar ik ben ondertussen wel trots dat ik me staande heb gehouden. Volgende keer zal het makkelijker zijn en daar houd ik me aan vast.
Ik heb enorm veel geleerd natuurlijk, en allerlei gekkigheden meegemaakt. Daar kan ik wel over door blijven praten, maar die kan ik ook gewoon bewaren voor een latere blog. Je moet je blogs een beetje opsparen zodat je niet ineens zes maanden lang geen blog schrijft, snap je? De samenvatting is: er zijn positieve, negatieve, gênante, stressvolle, inspirerende en ontroerende momenten langsgekomen. Ik heb geleerd te improviseren, mijn geduld is beproefd, ik heb allerlei didactische werkvormen leren kennen. Maar het belangrijkste voor mij is toch gewoon dat ik er stond.